Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie tijdig ingediend door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en geoordeeld dat het niet indienen van de schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de gestelde termijn betekent dat het beroep niet ontvankelijk is.
De Hoge Raad heeft daarop het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 29 september 2015.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet tijdig indienen van middelen van cassatie.