Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in een diefstalzaak. Verdachte werd verdacht van het wederrechtelijk toe-eigenen van geldbedragen van haar ex-echtgenoot.
De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat verdachte en de aangever volgens Turks recht nog gehuwd zouden zijn, waardoor strafvervolging op grond van artikel 316, eerste lid, Sr uitgesloten zou zijn. Subsidiair werd gesteld dat een klacht van de aangever vereist was volgens artikel 316, tweede lid, Sr, welke klacht ontbrak.
Het hof stelde vast dat het huwelijk tussen verdachte en de aangever op grond van Nederlands recht was ontbonden en dat de echtscheidingsbeschikking tijdig was ingeschreven in de registers. Hierdoor was verdachte geen echtgenoot meer in de zin van artikel 316 Sr Pro tijdens de tenlastegelegde periode en bij aanvang van de vervolging. De klachtvereiste uit artikel 316, tweede lid, Sr was daarom niet van toepassing.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie werd gehandhaafd omdat de verdachte niet langer echtgenoot was van de aangever ten tijde van het strafbare feit en de vervolging. Daarmee was geen klacht vereist en kon de strafvervolging voortgezet worden.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte omdat het huwelijk ten tijde van het strafbare feit was ontbonden en geen klacht vereist is.