Belanghebbende, een B.V., had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over omzetbelasting en heffingsrente over de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2004.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Ondanks deze aanmaning werd het griffierecht niet voldaan.
Vervolgens heeft de griffier belanghebbende opnieuw aangeschreven om een verklaring te geven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht, maar belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad acht geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken in aanwezigheid van de voorzitter en twee raadsheren, en de waarnemend griffier.