Uitspraak
wonende te Nieuwegein,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 oktober 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoekster die in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) betrokken is bij een procedure over de tussentijdse beëindiging van haar schuldsaneringsregeling. De rechtbank Midden-Nederland had op 23 maart 2015 een vonnis gewezen, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 8 juni 2015 een arrest uitbracht waarin de tussentijdse beëindiging werd bevestigd vanwege schending van de sollicitatie- en informatieplicht en het ontstaan van nieuwe schuld.
Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop verzoekster reageerde. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Daarom wees de Hoge Raad het cassatieberoep af en bevestigde het arrest van het gerechtshof. Het arrest is op 9 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot namens de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, M.V. Polak en V. van den Brink.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof dat de tussentijdse beëindiging van de WSNP-regeling rechtmatig acht.