In deze zaak stond de waardering van pensioenverplichtingen centraal die belanghebbende per 31 december 2005 had overgenomen van haar moedermaatschappij. Belanghebbende had de pensioenverplichting gewaardeerd op basis van een rekenrente van 3,23%, terwijl de Inspecteur een minimum van 4% hanteerde conform artikel 3.29 Wet IB 2001 en artikel 8, lid 6, Wet Vpb 1969.
Het Gerechtshof had geoordeeld dat de wettelijke waarderingsregels een rekenrente van ten minste 4% voorschrijven en dat leeftijdsterugstellingen slechts beperkt mogen worden toegepast. Belanghebbende stelde dat deze regels in strijd zijn met het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel, en dat het Besluit van 3 juli 2008 een andere waarderingsgrondslag voorschrijft.
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de minimumrente van 4%, ook al kan dit leiden tot afwijkingen van goed koopmansgebruik. De toepassing van het Besluit was niet relevant voor het jaar 2005. Wel oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte aannam dat de Inspecteur een oudere sterftetafel gebruikte; de Inspecteur had de recentere sterftetafel toegepast.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarmee de aanslag van de Inspecteur stand hield. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.