Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake overdrachtsbelasting. Het beroepschrift voldeed echter niet aan de vereiste van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat de gronden van het beroep ontbraken.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen zes weken te herstellen. Deze termijn eindigde op 18 september 2015, maar belanghebbende heeft het verzuim niet tijdig hersteld. Een brief die op 9 oktober 2015 binnenkwam, werd als te laat beschouwd en buiten beschouwing gelaten.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast zijn er geen gronden voor proceskostenveroordeling aanwezig. Het arrest is uitgesproken op 16 oktober 2015 door de raadsheren Schaap, Groeneveld en van Hilten.