Uitspraak
wonende te [plaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 oktober 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoekster verworpen. Het geding betrof een geschil in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) en de toepassing van artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b van de Faillissementswet (Fw) met betrekking tot de goede trouw van de schuldenaar.
De feiten en eerdere beslissingen zijn terug te vinden in het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, die beide het standpunt van verzoekster verwierpen. De advocaat-generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verzoekster geen aanleiding geven tot cassatie, mede omdat deze niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissingen en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van dergelijke cassatieklachten.
Het arrest werd op 16 oktober 2015 uitgesproken door de raadsheren van de Hoge Raad, waarbij verzoekster’s beroep werd verworpen zonder nadere motivering.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.