Belanghebbende uit België stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 oktober 2014, waarin hoger beroep was behandeld tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreffende een belastingrechtelijke aangelegenheid.
De Hoge Raad beoordeelde de ingediende klachten van belanghebbende en oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af, omdat daarvoor geen gronden aanwezig waren.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president Koopman als voorzitter en de raadsheren Groeneveld en Wortel, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2015.