Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
3 november 2015.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1989, stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit mei 2014. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, met vermindering van de straf, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat de stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak pas na meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep volgde.
Hierdoor werd de redelijke termijn overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen jaar naar acht jaar en negen maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan op 3 november 2015 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van negen jaar naar acht jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.