Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 november 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, maar heeft geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd. Hierdoor kon de verdachte in het cassatieberoep niet worden ontvangen.
Op 3 november 2015 heeft de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van schriftuur houdende middelen.