Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
€ 4.000,-. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting verminderen met € 400,-.
4.Slotsom
5.Beslissing
10 november 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden.
De Hoge Raad oordeelde dat de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in een ontnemingszaak het passende rechtsgevolg is. Op basis van de conclusie van de Advocaat-Generaal werd het middel gegrond verklaard en besloot de Hoge Raad om de zaak zelf af te doen omwille van de doelmatigheid.
De betalingsverplichting werd verminderd van €4.000,- naar €3.600,- vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige werd het beroep verworpen. De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting.
Uitkomst: De betalingsverplichting werd verminderd van €4.000,- naar €3.600,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.