In deze zaak staat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2002 centraal, opgelegd in het kader van het project Bank Zonder Naam. Belanghebbende ontkende het bezit van een buitenlandse bankrekening en weigerde informatie te verstrekken. De Inspecteur baseerde de aanslag op een schatting van het saldo met een jaarlijks groeipercentage van 23,5%.
Het hof had de aanslag en boete verminderd, maar oordeelde dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard moest worden vanwege het weigeren van informatie door belanghebbende. Tevens stelde het hof dat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gehanteerde schatting redelijk was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een te strenge eis heeft gesteld aan de Inspecteur bij de redelijke schatting van het verzwegen vermogen. Bij omkering van de bewijslast volstaat een op gemiddelde gegevens gebaseerde schatting, tenzij belanghebbende kan aantonen dat hij zich wezenlijk anders verhoudt. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van deze maatstaf.
Daarnaast worden de cassatiemiddelen van belanghebbende afgewezen en de middelen van de Staatssecretaris gegrond verklaard. De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 13 november 2015 in het openbaar uitgesproken.