Belanghebbende, een fiscale eenheid waaronder een failliete BV viel, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de jaren 2004-2006. De naheffing volgde na een boekenonderzoek bij een derde partij en een strafrechtelijk onderzoek wegens contante betalingen die niet in de administratie waren verantwoord.
Het Hof Den Haag verwierp het beroep van belanghebbende op het verdedigingsbeginsel, omdat voorafgaand aan de naheffing geen gelegenheid was gegeven tot reactie vanwege dreigende verjaring en het faillissement. Het Hof vond dat dit geen nadelige gevolgen had voor belanghebbende en stelde dat de BV zich bewust schuldig had gemaakt aan ernstige belastingfraude.
De Hoge Raad oordeelt dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, als unierechtelijk beginsel, niet zonder nadere motivering kan worden beperkt. De omstandigheden van verjaring en faillissement rechtvaardigen niet zonder meer het opleggen van een naheffingsaanslag zonder voorafgaande reactie. Tevens is de motivering van het Hof onvoldoende, onder meer over de inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslag en de afwijzing van een verzoek tot onderzoek ter plaatse.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.