In deze zaak stond centraal de vraag wie de juiste partij is om een eis in te stellen wanneer conservatoir beslag is gelegd op vermogensbestanddelen van een buitenlandse rechtspersoon die vervolgens in faillissement is opgehouden te bestaan en deze goederen zijn overgedragen.
De Hoge Raad bevestigde dat het bestaan van een rechtspersoon wordt beheerst door het recht van de staat waar zij haar zetel heeft, in dit geval Russisch recht. Het hof had ten onrechte geoordeeld dat het niet-bestaan van Yukos Oil als rechtsgevolg van het Russische faillissementsrecht niet kon worden ingeroepen in Nederland. De Hoge Raad stelde dat dit wel mogelijk is.
Verder werd geoordeeld dat wanneer een rechtspersoon ophoudt te bestaan voordat de eis in de hoofdzaak is ingesteld, de beslaglegger de verkrijger van de goederen kan dagvaarden met een aangepaste vordering om verhaal te nemen op de beslagen goederen. Dit voorkomt dat beslagleggers door het verdwijnen van de rechtspersoon worden benadeeld.
De Hoge Raad wees erop dat deze uitleg ook geldt voor buitenlandse rechtspersonen en dat de beslagleggers de mogelijkheid moeten krijgen hun vorderingen aan te passen en Promneftstroy als verkrijger in het geding te roepen. Het beroep van Promneftstroy werd verworpen en zij werd veroordeeld in de kosten.