ECLI:NL:HR:2015:3305

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 november 2015
Publicatiedatum
12 november 2015
Zaaknummer
14/04752
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 9 BBABurgerlijk Wetboek Boek 7 667Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt nietigheid opzegging binnen termijn BBA en verwerpt cassatie

In deze zaak stond de vraag centraal of de nietigheid van een opzegging door de werkgever binnen de termijn van artikel 9 van Pro het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) was ingeroepen en of er sprake was van berusting in het ontslag.

De eiser, voormalig werknemer, had tegen zijn werkgever, Dakteam Dakbeheer B.V., een procedure gevoerd waarin het hof Den Haag had beslist. Tegen dit arrest stelde eiser cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De werkgever heeft zich in cassatie niet doen vertegenwoordigen.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding.

Deze uitspraak bevestigt het belang van tijdige en juiste procedurele stappen bij het aanvechten van ontslag en benadrukt de rol van artikel 81 lid 1 RO Pro bij de afwijzing van niet-ontvankelijke cassatieberoepen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

13 november 2015
Eerste Kamer
14/04752
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
DAKTEAM DAKBEHEER B.V.,
gevestigd te Zwijndrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. K. Aantjes.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Dakbeheer.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in kort geding in de zaak 2871093 VV EXPL 14-34 van de kantonrechter te Rotterdam van 18 april 2014;
b. het arrest in de zaak 200.149.265/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 juli 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Dakbeheer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Nadien heeft haar advocaat zich onttrokken en is niemand voor Dakbeheer in cassatie verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generala G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dakbeheer begroot op € 838,07 aan verschotten en € 800,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadshere A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
13 november 2015.