Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Zwijndrecht,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
13 november 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de nietigheid van een opzegging door de werkgever binnen de termijn van artikel 9 van Pro het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) was ingeroepen en of er sprake was van berusting in het ontslag.
De eiser, voormalig werknemer, had tegen zijn werkgever, Dakteam Dakbeheer B.V., een procedure gevoerd waarin het hof Den Haag had beslist. Tegen dit arrest stelde eiser cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De werkgever heeft zich in cassatie niet doen vertegenwoordigen.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Deze uitspraak bevestigt het belang van tijdige en juiste procedurele stappen bij het aanvechten van ontslag en benadrukt de rol van artikel 81 lid 1 RO Pro bij de afwijzing van niet-ontvankelijke cassatieberoepen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.