Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2015:3312

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2015
Publicatiedatum
16 november 2015
Zaaknummer
15/02263
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • C.B. Bavinck
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.12 Wet IB 2001Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bepaling vrijgesteld vervreemdingsvoordeel landbouwgrond bij koopovereenkomst of levering

Belanghebbende, een onderneming in potplanten, verkocht in 2004 percelen tuinbouwgrond met opstallen. Door bodemverontreiniging en voorkeursrecht van de gemeente werd de levering uitgesteld tot 2008, waarbij aanvullende overeenkomsten nadere afspraken bevatten.

Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat voor de landbouwvrijstelling het vrijgestelde vervreemdingsvoordeel moet worden bepaald op basis van de WEVAB ten tijde van de koopovereenkomst in 2004, en niet op het moment van levering in 2008.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de WEVAB bij levering gehanteerd had moeten worden, omdat het voordeel toen volgens goed koopmansgebruik in de winst was verwerkt. De Hoge Raad verwierp dit, stellende dat de WEVAB altijd moet worden bepaald op het tijdstip van de koopovereenkomst, om willekeur te voorkomen.

De overige middelen faalden eveneens en de Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de WEVAB voor de landbouwvrijstelling wordt bepaald op het moment van de koopovereenkomst.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 15/02263
20 november 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 14 april 2015, nr. BK-14/00487, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/7982) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende drijft een onderneming die voornamelijk bestaat uit de teelt van potplanten. Bij overeenkomst van 10 juli 2004 heeft belanghebbende enige percelen tuinbouwgrond en de daarop aanwezige opstallen, glasopstanden en installaties verkocht.
2.1.2.
In verband met geconstateerde bodemverontreiniging en een voorkeursrecht van de gemeente Westland liet de levering van de grond op zich wachten tot 3 september 2008. Ten aanzien van de bodemverontreiniging hebben belanghebbende en koper bij overeenkomsten van 7 oktober 2004, 25 juni 2008, 3 juli 2008 en 22 juli 2008 (hierna: de aanvullende overeenkomsten) een nadere regeling getroffen.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat bij de bepaling van het op grond van artikel 3.12, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) vrij te stellen voordeel moet worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (hierna: de WEVAB) ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst in 2004.
2.3.
Het eerste middel komt op tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof en moet aldus worden verstaan dat het betoogt dat het Hof bij de bepaling van het vrij te stellen voordeel de WEVAB ten tijde van de levering had moeten hanteren, omdat het voordeel op dat moment in overeenstemming met goed koopmansgebruik bij de winstberekening in aanmerking is genomen.
2.4.
Bij de behandeling van dit middel wordt het volgende vooropgesteld.
2.4.1.
De landbouwvrijstelling heeft betrekking op voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden – daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen – voor zover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf (artikel 3.12, lid 1, Wet IB 2001).
2.4.2.
In geval van vervreemding van landbouwgrond dient derhalve te worden vastgesteld in hoeverre de verandering van de waarde in het economische verkeer van de grond tussen het moment van inbreng of verwerving en het moment van vervreemding kan worden toegerekend aan een verandering van de WEVAB in diezelfde periode. Dit brengt mee dat de WEVAB moet worden bepaald naar hetzelfde tijdstip als de waarde in het economische verkeer. In het geval van een verkoop zal het daarbij in de regel gaan om het moment waarop de koopovereenkomst wordt gesloten.
2.4.3.
De omstandigheid dat het voordeel met inachtneming van goed koopmansgebruik ter berekening van de winst is verantwoord op een ander tijdstip dan het moment waarop de vervreemdingsprijs is bepaald, doet aan het voorgaande niet af. Een andersluidende uitleg zou het ongewenste gevolg hebben dat de omvang van het vrij te stellen voordeel afhankelijk wordt gesteld van keuzes die een belastingplichtige kan maken met betrekking tot het tijdstip waarop het voordeel tot uitdrukking wordt gebracht.
2.5.
Het Hof heeft in het onderhavige geval vastgesteld dat de koopovereenkomst is gesloten op 10 juli 2004 en dat bij de aanvullende overeenkomsten nadere afspraken zijn gemaakt zonder dat daarbij een nieuwe koopprijs is overeengekomen. Het heeft daaraan klaarblijkelijk de gevolgtrekking verbonden dat voor de bepaling van het op de voet van artikel 3.12, lid 1, Wet IB 2001 vrij te stellen voordeel moet worden uitgegaan van de WEVAB per 10 juli 2004. Dit oordeel geeft in het licht van het hiervoor in 2.4 overwogene geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het eerste middel faalt derhalve.
2.6.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2015.