Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd veroordeeld voor bedreiging met brandstichting van de rechtspersoon Woningstichting [A]. De bedreiging vond plaats op 6 februari 2012, waarbij verdachte dreigend uitspraken deed als "als ik weg moet dan steek ik het hier in de fik".
De verdediging voerde aan dat een rechtspersoon niet bedreigd kan worden omdat deze geen redelijke vrees kan ervaren. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat wanneer relevante natuurlijke personen binnen de rechtspersoon in redelijkheid vrees kunnen krijgen, ook de rechtspersoon als slachtoffer kan worden beschouwd.
Uit verklaringen van medewerkers van de woningstichting bleek dat zij zich daadwerkelijk bedreigd voelden en voorzorgsmaatregelen namen. Het hof oordeelde dat de bedreiging voldoende concreet en ernstig was om redelijke vrees te rechtvaardigen. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep.
Hiermee is bevestigd dat bedreiging met brandstichting van een rechtspersoon strafbaar is indien de bedreiging zodanig is dat relevante natuurlijke personen binnen die rechtspersoon vrees kunnen krijgen, waarmee de handelingsvrijheid van de rechtspersoon wordt aangetast.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de veroordeling voor bedreiging met brandstichting van de woningstichting wordt bekrachtigd.