Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
24 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 1 mei 2012 te Amsterdam tijdens een anarchistische anti-kapitalistische demonstratie werd verdacht van het belemmeren van een aanhouding van een onbekend gebleven persoon. De aanhouding vond plaats omdat deze persoon weigerde te voldoen aan het bevel van de burgemeester om gezichtsbedekkende kleding af te doen, dat was uitgevaardigd op grond van de Wet Openbare Manifestaties.
De verdachte zou de aanhouding hebben belemmerd door de aangehouden persoon vast te houden en schoppende en slaande bewegingen te maken richting de politie. Het hof verklaarde de verdachte schuldig aan het opzettelijk belemmeren van een handeling door een opsporingsambtenaar ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, zoals bedoeld in artikel 184, eerste lid, tweede zinsdeel, Wetboek van Strafrecht.
De verdediging voerde aan dat het bevel van de burgemeester onrechtmatig was omdat de burgemeester niet bevoegd zou zijn geweest tot het geven van dat bevel, en dat daarom de aanhouding onrechtmatig was. De Hoge Raad oordeelt echter dat de rechtmatigheid van het bevel niet ter beoordeling staat bij het strafbare feit van belemmering van de aanhouding, omdat het niet voldoen aan een bevel alleen betrekking heeft op het eerste zinsdeel van artikel 184 Sr Pro, terwijl de bewezenverklaring ziet op het tweede zinsdeel.
Het beroep in cassatie wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verdachte wordt schuldig bevonden aan het opzettelijk belemmeren van een aanhouding.