In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting, boeteschikking en heffingsrente over het jaar 2007.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is echter niet voldaan, en belanghebbende heeft niet tijdig kenbaar gemaakt dat hij voldeed aan het criterium voor betalingsonmacht.
Na een tweede aangetekende brief waarin belanghebbende werd verzocht te verklaren waarom het griffierecht niet was betaald, bleef een reactie uit. Het verzoek om uitstel van betaling na afloop van de termijn werd niet als voldoende grond voor betalingsonmacht beoordeeld. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 27 november 2015 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.