Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen
4.Beslissing
1 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en ter beschikking gesteld met verpleging van overheidswege (tbs).
Het geschil betrof de vraag of de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f, eerste lid, Sr kan worden opgelegd aan een verdachte die is ontslagen van alle rechtsvervolging maar aan wie een maatregel als tbs wordt opgelegd. De wet is per 1 januari 2014 gewijzigd zodat deze maatregel ook in die gevallen kan worden opgelegd, maar het feit vond plaats op 6 februari 2013, vóór de wetswijziging.
De Hoge Raad bevestigt dat ingevolge art. 1, tweede lid, Sr bij wetswijzigingen na het begaan van het feit de voor de verdachte gunstigste regeling moet worden toegepast. Omdat de wetswijziging een minder gunstige regeling inhoudt, blijft de oude regeling van toepassing. De schadevergoedingsmaatregel kan daarom niet worden opgelegd.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3233) die dit standpunt ondersteunt en wijst het cassatieberoep af. Hierdoor blijft het arrest van het hof in stand dat geen schadevergoedingsmaatregel oplegt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de schadevergoedingsmaatregel niet kan worden opgelegd bij ontslag van alle rechtsvervolging met tbs voor feiten begaan vóór 1 januari 2014.