Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Waar het in dit geding om gaat
3.Beoordeling van het middel
(Handelingen II, 1984/85, p. 927)
4.Slotsom
5.Beslissing
8 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 9 juli 2013 in Delft naaktrecreatie beoefende op een locatie die niet langer door de gemeenteraad als naaktstrand was aangewezen. De gemeente had het naaktstrand officieel opgeheven en handhaving ingezet na waarschuwingen. Het hof sprak de verdachte vrij omdat het oordeelde dat de plaats niet 'evident niet geschikt' was voor naaktrecreatie, waarbij het hof een strikte en beperkte uitleg gaf aan de term in art. 430a Sr.
De Hoge Raad stelt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door deze te beperkte uitleg. De Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling van de geschiktheid van een plaats voor ongeklede recreatie een open norm is, waarbij rekening moet worden gehouden met maatschappelijke opvattingen, de locatie en mogelijke verstoring van de openbare orde. De term 'plaats die niet geschikt is' moet ruim worden geïnterpreteerd en niet beperkt tot situaties waarin objectief geen verschil van mening mogelijk is.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde beoordeling op het bestaande hoger beroep. Hiermee wordt het oordeel over de geschiktheid van de locatie opnieuw aan het hof opgedragen, met inachtneming van een bredere interpretatie van art. 430a Sr.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de geschiktheid van de plaats voor naaktrecreatie.