Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
15 december 2015.
Hoge Raad
Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met vermindering daarvan. De Hoge Raad oordeelde dat het middel dat klaagde over het niet-motiveren van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn terecht was.
De Hoge Raad nam het oordeel over dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden en dat dit moest leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 27.546,30 met € 1.377,-. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betrof en stelde het te betalen bedrag vast op € 26.169,30.
Voor het overige werd het beroep verworpen. De beslissing werd genomen door de strafkamer van de Hoge Raad op 15 december 2015, waarbij de vice-president en twee raadsheren het arrest uitspraken.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn en stelt het te betalen bedrag vast op € 26.169,30.