Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 2003, 2004 en 2005 wegens niet aangegeven inkomsten uit hennepteelt, met daarbij vergrijpboeten. Na bezwaar werden de aanslagen verminderd en ook de boeten gematigd door de Inspecteur en vervolgens verder door de Rechtbank. De Rechtbank matigde de boeten tot 5 procent van de verschuldigde belasting over de inkomsten uit hennepteelt, maar berekende deze onjuist over de belastbare inkomens uit werk en woning.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, oordeelde dat de boeten passend waren en matigde deze verder wegens overschrijding van de redelijke termijn. Echter, het Hof corrigeerde niet de foutieve grondslag waarop de boeten waren berekend, namelijk niet over de nagevorderde belastingbedragen maar over de belastbare inkomens.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat artikel 67e, lid 2, letter a, AWR voorschrijft dat de boeten moeten worden berekend over de navorderingsaanslag. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de boeten betreft. De boeten worden verminderd tot de bedragen die overeenkomen met 5 procent van de nagevorderde belasting over de hennepteelt. Tevens worden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.