ECLI:NL:HR:2015:3612

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2015
Publicatiedatum
17 december 2015
Zaaknummer
14/04374
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding gemist rendement over niet afgewikkelde huwelijksgoederengemeenschap en ingang wettelijke rente

In deze zaak stond de vraag centraal of en vanaf wanneer wettelijke rente verschuldigd is over een vergoeding voor gemist rendement in het kader van een niet eerder afgewikkelde huwelijksgoederengemeenschap. De zaak betrof een geschil tussen partijen over de financiële afwikkeling na het einde van de huwelijksgemeenschap.

De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam met vonnissen in 2010 en 2011, waarna het gerechtshof Amsterdam in 2013 en 2014 arresten wees die aan dit arrest van de Hoge Raad zijn gehecht. Het hof had de vergoedingsvraag en de toepasselijkheid van de wettelijke rente beoordeeld.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser verworpen omdat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van verweerders werd niet behandeld omdat het principale beroep niet slaagde.

De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding en bevestigde daarmee het oordeel van het hof, waarmee de eerdere beslissingen in stand bleven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

18 december 2015
Eerste Kamer
14/04374
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [plaats] ,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,
wonende te [plaats],
2. [verweerster 2] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mr. R.L. Bakels en mr. A. van Staden ten Brink,
3. [verweerster 3] ,
wonende te [plaats] ,
4. [verweerster 4] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Eiser zal hierna ook worden aangeduid als [eiser] en verweerders als respectievelijk [verweerder 1] , [verweerster 2] , [verweerster 3] en [verweerster 4] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 458108/HA ZA 10/1479 van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2010 en 2 november 2011;
b. de arresten in de zaak 200.101.859/01 van het gerechtshof Amsterdam van 7 mei 2013 en 22 april 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 7 mei 2013 en 22 april 2014 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [verweerder 1] en [verweerster 2] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Tegen [verweerster 3] en [verweerster 4] is verstek verleend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het principaal beroep en tot het buiten behandeling laten van het incidenteel cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 23 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] en [verweerster 2] begroot op € 1.991,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerster 3] en [verweerster 4] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
18 december 2015.