Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Waar het in dit geding om gaat
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van de overige middelen
22 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 2 april 2011 in de territoriale wateren van Somalië en op volle zee werd aangehouden door de Nederlandse marine tijdens een anti-piraterijmissie. De verdachte werd verdacht van dienstnemen op een piratenschip dat was uitgerust voor gewelddaden op zee.
De verdediging stelde dat de vrijheidsbeneming in strijd was met artikel 5 EVRM Pro omdat er geen rechtsgeldige titel was voor de aanhouding door de marinecommandant en dat de wettelijke termijnen voor vasthouden waren overschreden. Het hof oordeelde echter dat de aanhouding op basis van artikel 105 UNCLOS Pro en artikel 7 SUA Pro gerechtvaardigd was en dat vanaf 3 april 2011 de Nederlandse strafvorderlijke regels van toepassing waren.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de vrijheidsbeneming niet willekeurig was en dat de bijzondere omstandigheden van een militaire anti-piraterijmissie en het internationale recht een toereikende grondslag boden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verklaarde dat geen schending van artikel 5 EVRM Pro had plaatsgevonden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vrijheidsbeneming van de verdachte door de Nederlandse marine rechtmatig was en verwerpt het cassatieberoep.