ECLI:NL:HR:2015:3685

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2015
Publicatiedatum
22 december 2015
Zaaknummer
14/05344
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 28c Wet op de loonbelasting 1964Art. 10 Coördinatiewet sociale verzekeringenArt. 58 lid 2 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens lex mitior-beginsel en strafoplegging

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor feitelijke leiding over diverse fiscale en sociale verzekeringsdelicten, met een gevangenisstraf van vijf maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 180 uren. Het hof hield rekening met het mildere sanctieregime uit artikel 28c van de Wet op de loonbelasting 1964 voor enkele feiten.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest vanwege schending van het lex mitior-beginsel, met name voor de feiten onder 1 en 2, en adviseerde terugwijzing voor hernieuwde strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht geen aparte geldboetes oplegde en dat het cassatieberoep onvoldoende kansrijk was.

Gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand, en wordt de strafoplegging niet gewijzigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

22 december 2015
Strafkamer
nr. S 14/05344
ARA/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 8 september 2014, nummer 21/002916-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre opnieuw recht te doen.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1. "feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk een der in artikel 10 van Pro de Coördinatiewet sociale verzekeringen bedoelde verplichtingen niet en niet juist en niet volledig nakomen, meermalen gepleegd", 2. "feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk overtreden van artikel 58, lid 2 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, meermalen gepleegd" alsmede 4. "feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd" en 5. "feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Gelet op die straffen, die in elk geval ook zijn opgelegd voor de misdrijven onder 4 en 5, en in aanmerking genomen dat het Hof blijkens zijn strafmotivering wat betreft de feiten onder 2 heeft "gelet op het uit artikel 28c Wet op de loonbelasting 1964 voortvloeiende mildere sanctieregime" alsmede dat het middel niet klaagt dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het lex mitior-beginsel, gaat de Hoge Raad voorbij aan de kennelijk aan de conclusie van de Advocaat-Generaal ten grondslag liggende stelling dat het Hof - gelet op dat beginsel - voor de feiten onder 1 en 2 afzonderlijke straffen in de vorm van geldboetes had moeten opleggen.
2.2.
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
2.3.
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 december 2015.