Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor gewoontewitwassen. Het hof oordeelde dat het specialiteitsvoorbehoud van Zwitserland, dat het gebruik van rechtshulpgegevens voor fiscale delicten verbiedt, niet van toepassing is omdat gewoontewitwassen geen fiscaal delict is volgens Zwitsers recht.
Het hof stelde vast dat een fiscaal delict in Zwitserland een strafbare handeling is die uitsluitend gericht is op het verkleinen van belastingafdrachten. Het hof concludeerde dat witwassen een commuun delict is gericht op het verbergen van criminele herkomst van geld en dat verdachte dit ook als doel had, niet uitsluitend een fiscaal doel.
De verdediging voerde aan dat het specialiteitsvoorbehoud werd geschonden en dat bewijsuitsluiting moest volgen, wat zou leiden tot vrijspraak. De Advocaat-Generaal en het hof verwierpen dit standpunt. De Hoge Raad bevestigt dat zij niet toetst aan de uitleg van buitenlands recht en volgt het oordeel van het hof.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof. Het specialiteitsvoorbehoud leidt niet tot bewijsuitsluiting omdat gewoontewitwassen geen fiscaal delict is onder Zwitsers recht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat gewoontewitwassen geen fiscaal delict is onder Zwitsers recht, waardoor het specialiteitsvoorbehoud niet leidt tot bewijsuitsluiting.