Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter heeft hij niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat het ontbreken van de middelen van cassatie betekent dat het beroep niet ontvankelijk is.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 22 december 2015. Hierdoor wordt het cassatieberoep van de verdachte afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.