Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of bij de uitvoering van een rechtshulpverzoek gebruik mag worden gemaakt van de bevoegdheid tot doorzoeking ter vastlegging van gegevens zoals bedoeld in artikel 125i van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De Rechtbank Zeeland-West-Brabant had verlof verleend voor overdracht van digitale gegevensdragers aan buitenlandse autoriteiten, waarbij ook doorzoeking ter vastlegging van gegevens had plaatsgevonden.
De Hoge Raad heeft overwogen dat de bevoegdheid tot doorzoeking ter vastlegging van gegevens niet is geregeld in de titels IVa tot en met Vc en Ve van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering, waarop artikel 552oa (oud) Sv betrekking heeft. Daarom kan deze bevoegdheid niet op grond van artikel 552oa (oud) Sv worden toegepast bij rechtshulpverzoeken.
De Hoge Raad concludeert dat de grondslag voor het gebruik van deze bevoegdheid bij rechtshulpverzoeken moet worden gevonden in artikel 552o (oud) Sv. Dit artikel maakt het mogelijk om ter voldoening aan een rechtshulpverzoek gebruik te maken van de bevoegdheid tot doorzoeking ter inbeslagneming, en deze bevoegdheid impliceert ook de bevoegdheid tot doorzoeking ter vastlegging van gegevens zoals bedoeld in artikel 125i Sv.
Het beroep van klager wordt verworpen, waarmee de Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de doorzoeking ter vastlegging van gegevens op grond van artikel 125i Sv mocht plaatsvinden in het kader van het rechtshulpverzoek.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat de bevoegdheid tot doorzoeking ter vastlegging van gegevens op grond van art. 125i Sv mag worden toegepast bij rechtshulpverzoeken.