Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde op 22 december 2015 het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2013. Namens verdachte diende mr. G. Spong een schriftuur in. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a RO en na het horen van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Het arrest werd gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan. De uitspraak vond plaats tijdens een openbare terechtzitting. Hiermee werd het cassatieberoep definitief afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de klachten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of kans op slagen.