Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Namens verdachte heeft mr. G. Spong een schriftuur ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a RO en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken op 22 december 2015 door de Strafkamer van de Hoge Raad, met als voorzitter vice-president W.A.M. van Schendel en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-Van Kan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.