ECLI:NL:HR:2015:375

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2015
Publicatiedatum
19 februari 2015
Zaaknummer
14/02988
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 7 lid 2 letter b Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid in beroep tegen uitspraak omzetbelasting

Belanghebbende, een vennootschap, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag waarin zij niet-ontvankelijk werd verklaard in haar beroep tegen een beschikking op grond van artikel 7, lid 2, letter b, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie konden leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarnaast heeft de Hoge Raad overwogen dat er geen aanleiding was voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 20 februari 2015.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring door de Rechtbank bevestigd.

Uitspraak

20 februari 2015
Nr. 14/02988
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] Ltdte
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 30 april 2014, nr. SGR 13/9733, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 7, lid 2, letter b, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten, die zich richten tegen het oordeel dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep bij de Rechtbank, kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.