Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
23 juni 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 juli 2014. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, zoals vereist op grond van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad beoordeelde daarom de ontvankelijkheid van het beroep en concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het niet naleven van de termijnvoorschriften. Er zijn geen inhoudelijke middelen van cassatie aan de Hoge Raad voorgelegd.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad, A.J.A. van Dorst, op 23 juni 2015 tijdens een openbare terechtzitting. De verdachte kan het cassatieberoep niet voortzetten vanwege deze procedurele tekortkoming.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.