ECLI:NL:HR:2015:521

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2015
Publicatiedatum
5 maart 2015
Zaaknummer
13/03920
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 453 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep ondanks vermeende intrekking volmacht

In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal. Verdachte had op 1 augustus 2013 tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De raadsman van verdachte had het beroep vervolgens formeel 'ingetrokken' en direct weer ingesteld om een vermeende fout in de oorspronkelijke volmacht te corrigeren.

De Hoge Raad concludeerde dat deze handeling niet als een intrekking in de zin van artikel 453, eerste lid, Sv kon worden beschouwd, omdat het beroep feitelijk werd gehandhaafd. Hierdoor werd het cassatieberoep ontvankelijk verklaard.

Het inhoudelijke middel van cassatie werd vervolgens verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De uitspraak benadrukt de strikte interpretatie van intrekking van beroep en bevestigt dat procedurele fouten in volmachten niet automatisch leiden tot niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ontvankelijk en verwerpt het inhoudelijke middel.

Uitspraak

10 februari 2015
Strafkamer
nr. 13/03920
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2013, nummer 21/003455-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bij brief van 2 december 2014 heeft de raadsman het eerste middel ingetrokken.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.
Blijkens de daarvan opgemaakte akte van de griffier van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, is op 1 augustus 2013 door een griffiemedewerker, daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd door de toenmalige raadsman van de verdachte, beroep in cassatie ingesteld.
2.2.
Uit de stukken van het geding leidt de Hoge Raad af dat de raadsman van de verdachte het op 1 augustus 2013 ingestelde beroep in cassatie wenste te handhaven, doch dit beroep heeft doen "intrekken" en het direct weer heeft doen instellen, uitsluitend met het oog op het herstellen van een - vermeende - misslag in de oorspronkelijke volmacht. Tegen die achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat geen intrekking als bedoeld in art. 453, eerste lid, Sv heeft plaatsgevonden.
2.3.
De verdachte kan mitsdien in zijn beroep worden ontvangen.

3.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 februari 2015.