Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
10 maart 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een schadevergoeding aan de benadeelde partij was toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.
De benadeelde partij had een vordering tot materiële schadevergoeding ingediend, welke door het hof deels werd toegewezen. Het hof besloot de toegewezen schadevergoeding te verhogen met wettelijke rente vanaf een bepaalde datum tot aan de dag van volledige voldoening.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de wettelijke rente heeft toegekend omdat uit de stukken niet blijkt dat de benadeelde partij vergoeding van wettelijke rente heeft gevorderd. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie (HR 11 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4262). Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar dit leidt niet tot rechtsgevolgen gezien de korte gevangenisstraf van de verdachte.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend voor zover het de wettelijke rente betreft en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het wettelijke rente toekent over de schadevergoeding en verwerpt het beroep voor het overige.