ECLI:NL:HR:2015:557

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2015
Publicatiedatum
12 maart 2015
Zaaknummer
14/02141
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 Wet IB 2001
Verwijzingen
2 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling bewijslast bij etikettering splitsbaar pand in inkomstenbelasting

Belanghebbende huurde in 1975 een pand bestaande uit een parterre en een bovenverdieping. De parterre werd gebruikt voor zijn drogisterij, de bovenverdieping was aanvankelijk woonruimte maar stond vanaf 1980 leeg. In 1990 kochten belanghebbende en zijn echtgenote het pand en verhuurden zij de bovenverdieping aan derden. Het gehele pand werd als ondernemingsvermogen aangemerkt en in 1997 ingebracht in een vennootschap onder firma.

In 2008 staakten zij de onderneming en betwistten zij de boekwinst die de Inspecteur stelde over de overbrenging van het woongedeelte naar privévermogen. Het hof oordeelde dat de Inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd dat het woongedeelte tot het ondernemingsvermogen behoorde en corrigeerde de winst uit onderneming.

De Hoge Raad stelt dat de bewijslast onjuist is verdeeld: aangezien belanghebbende het pand steeds als ondernemingsvermogen heeft aangemerkt, moet hij aannemelijk maken dat het woongedeelte niet tot het ondernemingsvermogen behoorde. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor volledige herbeoordeling met inachtneming van deze maatstaf.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor volledige herbeoordeling.

Uitspraak

13 maart 2015
nr. 14/02141
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 18 maart 2014, nr. BK-13/00505, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 12/3618) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
In 1975 heeft belanghebbende een pand gehuurd, plaatselijk bekend als [a-straat] 17 en 17a te [Z] (hierna: het pand). Het pand bestond uit een parterre en een bovenverdieping. De eigendom van het pand was niet in appartementsrechten gesplitst.
2.1.2.
Op de parterre van het pand (hierna: het bedrijfsgedeelte), met nummer 17, is belanghebbende in 1975 een drogisterij begonnen, in de vorm van een eenmanszaak. In december 1997 is de drogisterij ingebracht in een vennootschap onder firma (hierna: de VOF). Vennoten van de VOF waren belanghebbende en zijn echtgenote.
2.1.3.
De bovenverdieping van het pand (hierna: het woongedeelte), met nummer 17a, heeft belanghebbende en zijn echtgenote van november 1975 tot 1 april 1980 tot woning gediend. Vanaf die datum stond het woongedeelte leeg. Het woongedeelte had een eigen ingang, was niet verbonden met het bedrijfsgedeelte, beschikte over eigen sanitaire voorzieningen, een keuken en eigen water- en elektriciteitsaansluitingen.
2.1.4.
Op 10 december 1990 hebben belanghebbende en zijn echtgenote het pand gekocht voor ƒ 240.000 (€ 108.907). Zij hebben het woongedeelte met ingang van 1 april 1991 verhuurd aan derden. Het gehele pand is vanaf de aankoop als ondernemingsvermogen aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de hypothecaire lening waarmee de aankoop van het pand werd gefinancierd. In 1997 is het pand in de VOF ingebracht.
2.1.5.
Belanghebbende en zijn echtgenote hebben de onderneming in 2008 gestaakt. Zij hebben in hun aangiften voor dat jaar geen stakingswinst begrepen ter zake van de overbrenging van het woongedeelte naar hun privévermogen.
2.1.6.
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbende en zijn echtgenote een boekwinst hebben genoten ter zake van de overbrenging van het woongedeelte naar hun privévermogen, van ieder € 137.285.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet is geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat de aankoop van het woongedeelte een voldoende band had met de bedrijfsuitoefening om een keuze tot bedrijfsvermogen te rechtvaardigen. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende onvoldoende weersproken heeft gesteld dat de reden van de aanschaf van het pand vermogensopbouw voor de oude dag was en dat zijn echtgenote en hij met dezelfde intentie ook het belendende, geheel voor de verhuur bestemde, perceel [a-straat] 19 en 19a hebben aangekocht. Aangezien het woongedeelte daardoor vanaf de aankoop steeds tot de privévermogens van belanghebbende en zijn echtgenote behoorde, dient herstel van de onjuiste etikettering van het woongedeelte tot een correctie van de winst uit onderneming te leiden in het oudste nog openstaande boekjaar (2008) aldus het Hof.
De middelen richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen deze oordelen.
2.3.
Het onderhavige geval kenmerkt zich daardoor dat belanghebbende een onroerende zaak die hij heeft aangeschaft en de geldschuld die hij ten behoeve van die aanschaf is aangegaan sinds de verkrijging van die onroerende zaak als ondernemingsvermogen heeft aangemerkt en de baten en de lasten ter zake daarvan steeds tot zijn winst uit onderneming heeft gerekend. Indien hij zich dan bij gelegenheid van de staking van de onderneming op het standpunt stelt dat de onroerende zaak ten onrechte steeds tot zijn ondernemingsvermogen is gerekend aangezien deze bij de verkrijging verplicht ging behoren tot zijn privévermogen, brengt een redelijke verdeling van de stelplicht en de bewijslast mee dat hij de feiten en omstandigheden stelt en bij weerspreking daarvan aannemelijk maakt die de conclusie rechtvaardigen dat de onroerende zaak niet tot het ondernemingsvermogen kon worden gerekend. Door van de Inspecteur het bewijs te verlangen van de feiten en omstandigheden die zijn standpunt kunnen dragen dat de aankoop van het woongedeelte voldoende band met de ondernemingsuitoefening had om een keuze tot ondernemingsvermogen te rechtvaardigen, heeft – zoals middel II terecht betoogt – het Hof de bewijslast onjuist verdeeld.
In dat verband verdient opmerking dat in de toelichting op middel I terecht wordt aangevoerd dat – anders dan het Hof in zijn uitspraak overweegt – de Inspecteur belanghebbendes stelling dat de reden van de aanschaf van het pand vermogensopbouw voor de oude dag was op de in die toelichting vermelde plaatsen heeft weersproken, zodat aanvaarding van die stelling van belanghebbende nadere motivering behoefde.
2.4.
De middelen slagen in zoverre. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Middel I behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek in volle omvang.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2015.