Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
17 maart 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch is veroordeeld tot een gevangenisstraf van een week wegens diefstal. De verdediging voerde aan dat rekening moest worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een verslaving en een lopend behandeltraject, en verzocht om een geheel voorwaardelijke straf of een werkstraf.
Het hof bevestigde de straf van de politierechter en motiveerde dat gezien de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd en de recidive van de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Het hof zag geen reden om af te wijken van de opgelegde straf.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de strafoplegging toereikend heeft gemotiveerd en dat artikel 359, tweede lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering geen nadere motivering vereist. Het cassatieberoep faalt en de Hoge Raad verwerpt het beroep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van een week voor diefstal en verwerpt het cassatieberoep.