Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
24 maart 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin het hof het hoger beroep ten onrechte beperkte tot één van de tenlasteleggingen. De appelakte stelde dat het hoger beroep onbeperkt was ingesteld tegen het eindvonnis van 22 september 2010, maar het hof interpreteerde dit anders en paste artikel 423, vierde lid, Sv toe om de straf voor een andere tenlastelegging te bevestigen.
Hoewel het middel gegrond is, leidt dit niet tot volledige cassatie omdat de verdachte tijdens de behandeling door het hof tweemaal heeft aangegeven het beroep als beperkt te beschouwen, waardoor hij zich niet geschaad voelde door de beperkte uitleg van het hof.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden doordat de stukken te laat werden ingezonden en het arrest meer dan twee jaar na het cassatieberoep is gewezen. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met acht maanden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, vermindert de gevangenisstraf tot zeven maanden en een week, en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn.