ECLI:NL:HR:2015:767

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2015
Publicatiedatum
27 maart 2015
Zaaknummer
15/00331
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 119 GwArt. 76 ROArt. 483 leden 1 en 2 SvArt. 4 Wet van 22 april 1855
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beklag over niet vervolgen voormalig minister wegens ambtsmisdrijf

Klaagster, Vereniging Veterans MC Netherlands, deed aangifte van smaad en laster tegen de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie. De hoofdofficier van justitie besloot geen strafvervolging in te stellen. Klaagster maakte hiertegen beklag bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat zich onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar de Hoge Raad.

De Advocaat-Generaal adviseerde het beklag niet-ontvankelijk te verklaren. De Hoge Raad overwoog dat ingevolge de Grondwet en het Wetboek van Strafvordering ministers alleen voor ambtsmisdrijven in eerste en hoogste instantie door de Hoge Raad worden berecht, en dat vervolging alleen kan worden bevolen door Koninklijk Besluit of Tweede Kamerbesluit.

Omdat de Hoge Raad niet bevoegd is om opdracht tot vervolging te geven, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk. De oproeping van klaagster kon daarom achterwege blijven. De Hoge Raad verklaarde het beklag niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag over het niet vervolgen van een voormalig minister wegens ambtsmisdrijf.

Uitspraak

27 maart 2015
Eerste Kamer
15/00331
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
VERENIGING VETERANS MC NETHERLANDS,
gevestigd te Helmond,
KLAAGSTER.

1.Het beklag

Namens klaagster is op 1 mei 2014 aangifte gedaan van smaad en laster, beweerdelijk jegens haar begaan door de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie. Bij brief van 18 juni 2014 heeft de hoofdofficier van justitie aan klaagster laten weten ter zake van deze aangifte geen strafvervolging te zullen instellen.
Klaagster heeft bij brief van 14 juli 2014 hierover beklag gedaan bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Het hof heeft zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de Hoge Raad.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
Het klaagschrift is eveneens aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het schriftelijk verslag van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
Klaagster heeft bij brief op dat verslag gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag

2.1
Ingevolge art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet Pro; art. 4 Wet Pro van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden Pro 1 en 2 Sv) (vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122).
Nu hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een door een gewezen minister van Veiligheid en Justitie gepleegd ambtsmisdrijf als door klaagster bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.
2.2
Het voorgaande brengt mee dat oproeping van klaagster achterwege kan blijven (vgl. art. 12c Sv).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag.
Deze beschikking is gegeven door de raads-heren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 maart 2015.