Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde, het vierde, het vijfde en het zesde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
31 maart 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, Economische Kamer, inzake economische strafzaken. De Hoge Raad heeft het beroep onderzocht en geoordeeld dat de feiten die aan de verdachte ten laste zijn gelegd, gepleegd zijn in de periode van 1 januari 1999 tot en met 16 augustus 2001.
De Hoge Raad heeft vastgesteld dat de verjaringstermijn voor deze feiten maximaal twee maal zes jaren bedraagt, waardoor het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor zover het betrekking heeft op de beslissingen omtrent de onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten en de strafoplegging.
De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor deze feiten. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam om de strafoplegging opnieuw te berechten en af te doen. Voor het overige wordt het beroep verworpen. De overige middelen van cassatie worden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens verjaring en vernietigt het arrest voor de tenlastegelegde feiten en strafoplegging.