Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
31 maart 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het middel klaagde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom de opgelegde gevangenisstraf te verminderen van drie jaar naar twee jaar en elf maanden. Een tweede middel werd verworpen omdat het geen aanleiding gaf tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 31 maart 2015.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van drie jaar naar twee jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.