Uitspraak
beiden wonende in Curaçao,
gevestigd in Curaçao,
1.Het geding in feitelijke instanties
21 juni 2010, 13 december 2010, 5 september 2011 en 5 november 2012,
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 april 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stonden verzoekers uit Curaçao tegenover de Stichting Fundashon Kas Popular (FKP) in een geschil over een vordering tot schadevergoeding. De kern van het geschil betrof de vraag of de vordering was verjaard onder het Curaçaose recht, waarbij met name de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro en de bepalingen omtrent verjaring en stuiting volgens het Burgerlijk Wetboek Curaçao (art. 3:310 lid 1 BW Pro Curaçao en art. 3:318 BW Pro Curaçao) centraal stonden.
De feiten en eerdere vonnissen van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie waren aan het arrest gehecht. Verzoekers hadden beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van het hof, dat de vordering als verjaard had beschouwd. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de Hoge Raad het beroep heeft verworpen zonder nadere motivering, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigde dat de stelplicht en bewijslast omtrent verjaring bij de verzoekers lagen en dat erkenning van de vordering door de verweerder de verjaring kan stuiten. De Hoge Raad veroordeelde verzoekers tevens in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest werd uitgesproken door raadsheer G. de Groot en gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Tanja-van den Broek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoekers worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.