ECLI:NL:HR:2015:86

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2015
Publicatiedatum
16 januari 2015
Zaaknummer
14/02755
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:448 BWArt. 1:450 BWArt. 1:378 BWArt. 19 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofbeslissing over ontslag bewindvoerder wegens schending hoor en wederhoor

De zaak betreft een geschil over het ontslag van de moeder als bewindvoerder van haar verstandelijk gehandicapte dochter, waarbij de kantonrechter en het hof de moeder ontsloegen en een professionele bewindvoerder benoemden. Het hof vond gewichtige redenen voor ontslag, waaronder het onttrekken van geld zonder machtiging en onvoldoende kennis van het persoonsgebonden budget.

De moeder en dochter gingen in hoger beroep tegen het ontslag, maar het hof bekrachtigde het besluit. In cassatie klaagde de moeder dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd had overschreden door nieuwe verwijten te aanvaarden die niet in de processtukken stonden, en het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden omdat zij niet adequaat kon reageren op de nieuwe beschuldigingen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof bevoegd was ambtshalve te ontslaan, ook op gronden die pas in hoger beroep naar voren kwamen, mits hoor en wederhoor werd gewaarborgd. Het hof had echter zijn beslissing grotendeels gebaseerd op een brief van de nieuwe bewindvoerder die niet aan de moeder was toegezonden, waardoor zij niet kon reageren. Dit schond het hoor en wederhoor en art. 19 Rv Pro.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling. Dit betekent niet dat de moeder voorlopig weer bewindvoerder wordt, omdat de kantonrechterlijke beschikking uitvoerbaar bij voorraad is.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens schending van het hoor en wederhoor en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

16 januari 2015
Eerste Kamer
14/02755
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [de rechthebbende],
wonende te [woonplaats],
2. [de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTERS tot cassatie,
advocaat: mr. R.K. van der Brugge,
t e g e n
1. [de zuster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen,
2. [de nieuwe bewindvoerder],
kantoorhoudende te Venlo,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. B.J. van Dorp.
Verzoeksters zullen hierna ook worden aangeduid als de rechthebbende en de moeder, en verweersters als de zuster en de nieuwe bewindvoerder.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 520754 BM VERZ 13-1202/2383413 MS VERZ 13-296 van de kantonrechter te Maastricht van 15 oktober 2013;
b. de beschikking in de zaak HV 200.136.658/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 februari 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof hebben de rechthebbende en de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De nieuwe bewindvoerder heeft verzocht het beroep te verwerpen. De zuster heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
De advocaat van de rechthebbende en de moeder heeft bij brief van 17 november 2014 op die conclusie gereageerd; de advocaat van de nieuwe bewindvoerder heeft dat gedaan bij brief van 21 november 2014.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De rechthebbende, geboren in 1982, is verstandelijk gehandicapt. Haar goederen zijn onder bewind gesteld, als bedoeld in art. 1:431 BW Pro, met aanstelling van de moeder als bewindvoerder over deze goederen. De zuster is aangesteld als mentor, als bedoeld in art. 1:450 BW Pro.
3.2.1
In dit geding heeft de zuster verzocht het bewind en het mentorschap om te zetten in een ondercuratelestelling, als bedoeld in art. 1:378 BW Pro. De kantonrechter heeft het verzoek om ondercuratelestelling afgewezen. Vanwege de gebleken tweespalt tussen de moeder en de zuster heeft de kantonrechter evenwel ambtshalve de moeder als bewindvoerder en de zuster als mentor ontslagen, en in hun plaats een professionele bewindvoerder en mentor benoemd, [de nieuwe bewindvoerder] (‘de nieuwe bewindvoerder’), alles met ingang van 1 november 2013 en uitvoerbaar bij voorraad.
3.2.2
De rechthebbende en de moeder zijn in hoger beroep opgekomen tegen het ontslag van de moeder als bewindvoerder, alsmede tegen de benoeming van [de nieuwe bewindvoerder] als nieuwe bewindvoerder en nieuwe mentor. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof achtte gewichtige redenen voor het ontslag van de moeder als bewindvoerder aanwezig, “van welke gewichtige redenen pas ter gelegenheid van de procedure in hoger beroep is gebleken” (rov. 3.5.4). Die gewichtige redenen bestaan erin dat de moeder als bewindvoerder in het door haar gevoerde financiële beheer niet altijd de belangen van de rechthebbende op voldoende adequate wijze heeft behartigd. Daartoe overwoog het hof dat de nieuwe bewindvoerder heeft aangevoerd dat de moeder zonder machtiging van de kantonrechter een bedrag van € 1.022,-- onder de omschrijving van “administratiekosten” ten gunste van zichzelf aan het vermogen van de rechthebbende heeft onttrokken en een bedrag van € 12.822,50 uit het persoonsgebonden budget aan zichzelf heeft uitbetaald zonder dat hieraan een zorgovereenkomst, facturen, een zorgplan of een urenverantwoording ten grondslag ligt, terwijl zij zich bovendien een bedrag van € 950,-- van de bankrekening van de rechthebbende heeft toegeëigend nadat zij al was ontslagen als bewindvoerder. Volgens het hof heeft de moeder onvoldoende weersproken hetgeen door de nieuwe bewindvoerder was aangevoerd. Daar komt bij dat de moeder ter zitting heeft verklaard dat haar kennis met betrekking tot het persoonsgebonden budget beperkt is. (rov. 3.5.4)
3.3
Het middel klaagt in de eerste plaats (onder 3-6) dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden, omdat de wijze waarop de moeder het financiële beheer heeft gevoerd en de vraag of zij daarin is tekortgeschoten, alsmede de vraag of zij voldoende kennis heeft van de relevante regelgeving omtrent het persoonsgebonden budget, door de zuster en de nieuwe bewindvoerder niet in de door hen ingediende processtukken aan de orde zijn gesteld; evenmin heeft een van hen in rechte financiële stukken aan het hof overgelegd. Het financiële beheer van de moeder is ter terechtzitting in hoger beroep wel summier aan de orde gesteld, maar de moeder heeft de rechtsstrijd daarover niet uitdrukkelijk aanvaard.
3.4
Deze klachten falen. Blijkens art. 1:448 lid 2 BW Pro kan door de kantonrechter ook ambtshalve ontslag aan een bewindvoerder worden verleend, onder meer wegens gewichtige redenen. Die bevoegdheid komt ook aan het hof als appelrechter toe. Dat brengt mee dat de (appel)rechter bij zijn beslissing omtrent het ontslag van een bewindvoerder niet gebonden is aan de gronden die een belanghebbende daarvoor eventueel heeft aangevoerd. Ook feiten en omstandigheden die (pas) ter zitting in hoger beroep naar voren komen, kunnen aan een ontslag van de bewindvoerder ten grondslag worden gelegd, mits hem voldoende gelegenheid is geboden zijn standpunt daaromtrent aan het hof kenbaar te maken en zo nodig zijn standpunt met stukken te onderbouwen.
3.5
In de tweede plaats klaagt het middel (onder 7) dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft miskend. Nu de door het hof aan zijn beslissing ten grondslag gelegde gewichtige redenen pas ter zitting in hoger beroep en op summiere wijze door de nieuwe bewindvoerder aan de orde zijn gesteld, waarop de moeder slechts summier kon reageren, had het hof de nieuwe bewindvoerder en de moeder in de gelegenheid moeten stellen hun standpunten met stukken te onderbouwen en over en weer op elkaars stellingen en stukken te reageren.
3.6
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.
De moeder en de rechthebbende hebben in hun beroepschrift voor het hof aangevoerd, kort gezegd, dat de slechte verhouding tussen de moeder en de zuster onvoldoende zwaarwegend is om de moeder te ontslaan als bewindvoerder, ook omdat over haar functioneren als bewindvoerder geen klachten waren.
In het verweerschrift in hoger beroep is namens de nieuwe bewindvoerder uitsluitend ingegaan op de in het appelschrift opgeworpen grieven in verband met de slechte verhouding tussen de moeder en de zuster.
Ter zitting in hoger beroep is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal in algemene termen aan de orde gekomen dat de moeder volgens de nieuwe bewindvoerder is tekortgeschoten in het financieel beheer. Uit dat proces-verbaal blijkt niet dat de door het hof in zijn beschikking specifiek vermelde voorbeelden ten aanzien waarvan de nieuwe bewindvoerder een verwijt aan de moeder heeft gemaakt (zie hiervoor in 3.2.2), ter zitting als zodanig aan de orde zijn gesteld of besproken; dat blijkt evenmin uit de beschikking zelf.
In zijn beschikking heeft het hof wel vermeld dat het heeft kennisgenomen van (onder meer) een brief met bijlagen van de nieuwe bewindvoerder van 8 januari 2014. Deze brief is, blijkens de inhoud daarvan en hetgeen is vermeld in het cassatieverweerschrift onder 5, door de nieuwe bewindvoerder zelf geschreven en toegestuurd aan het hof; blijkens rov. 2.4 is de brief kennelijk niet door haar advocaat door middel van een zogenoemd V-formulier bij het hof ingediend. In de brief is niet vermeld dat een afschrift daarvan aan (de advocaat van) de moeder en de rechthebbende is gestuurd. Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep of de beschikking van het hof blijkt evenmin dat (de toezending van) de brief ter zitting door het hof of door (de advocaat van) de nieuwe bewindvoerder is vermeld, of dat ter zitting specifiek naar de inhoud van deze brief is verwezen. De in de beschikking van het hof vermelde concrete verwijten die grond hebben opgeleverd om de moeder wegens gewichtige redenen te ontslaan als bewindvoerder (zie hiervoor in 3.2.2), zijn evenwel rechtstreeks aan deze brief ontleend.
3.7
Op grond van het hiervoor in 3.6 overwogene dient in cassatie tot uitgangspunt dat de moeder en de rechthebbende geen kennis hebben kunnen nemen van de inhoud van de brief van 8 januari 2014, en zich dus ook niet daarover hebben kunnen uitlaten. Het hof heeft zijn beschikking echter wel in belangrijke mate op de inhoud van die brief gebaseerd. Dit brengt mee dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden en daardoor in strijd is gehandeld met art. 19 Rv Pro. De hiervoor in 3.5 vermelde klachten zijn derhalve gegrond.
3.8
Opmerking verdient nog dat vernietiging van de beschikking van het hof niet meebrengt dat de moeder (voorshands) weer bewindvoerder wordt, nu de beschikking van de kantonrechter waarbij de nieuwe bewindvoerder als zodanig is benoemd uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
3.9
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof ′s-Hertogenbosch van 27 februari 2014;
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
16 januari 2015.