Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
7 april 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van diefstal met braak gepleegd in vereniging. Het hof had het voordeel geschat op €9.298,- en betrokkene hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de volledige betalingsverplichting op grond van art. 36e, zevende lid, Sr.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn motivering onvoldoende heeft toegelicht, met name omdat het niet aannemelijk maakte welk aandeel van het totale voordeel aan betrokkene toekomt. De Hoge Raad benadrukt dat de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel en de omvang daarvan voorafgaan aan de toerekening aan individuele mededaders.
Verder verduidelijkt de Hoge Raad de uitleg van art. 36e.7 Sr: hoofdelijke aansprakelijkheid is slechts toegestaan indien sprake is van een gemeenschappelijk voordeel waarover alle mededaders beschikken of konden beschikken. Dit tast het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet aan. In de meeste gevallen zal echter pondspondsgewijze toerekening meer passend zijn. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het wederrechtelijk voordeel en de hoofdelijke aansprakelijkheid.