Uitspraak
wonende te [woonplaats ],
wonende te [woonplaats ],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
16 januari 2015.
Hoge Raad
In deze zaak staat de uitleg van een echtscheidingsconvenant centraal, waarbij de man cassatie heeft ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. De vrouw is in cassatie verstek gebleven. De Procureur-Generaal heeft betoogd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 RO, omdat het beroep onvoldoende belang heeft en de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad heeft het standpunt van de Procureur-Generaal gevolgd en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit houdt verband met de dwingende bewijskracht van het echtscheidingsconvenant en de stelplicht van de partij die een leemte in het convenant wil invullen.
Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk en compenseert de kosten van het geding in cassatie zodanig dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest is gewezen door de raadsheren Streefkerk, Snijders, Polak en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan gegronde klachten.