Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het middel klaagde dat het hof ten onrechte toepassing had gegeven aan de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro, die betrekking heeft op de bekennende verdachte en de verwijzing naar processtukken in de aantekening van het mondeling arrest.
De Hoge Raad overwoog dat de aantekening van het mondeling arrest moet voldoen aan de Regeling aantekening mondeling vonnis van 2 oktober 1996, waarin is bepaald dat verwezen mag worden naar processtukken voor de inhoud van bewijsmiddelen, zonder beperking tot bekennende verdachten. De opvatting van het middel dat dit alleen bij bekennende verdachten is toegestaan, vindt geen steun in de regeling, de wetsgeschiedenis of art. 359 Sv Pro.
Gelet op vaste rechtspraak en de wetsgeschiedenis, waaronder eerdere arresten, concludeerde de Hoge Raad dat het middel faalt. Op grond van art. 80a RO verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door een enkelvoudige kamer van de Hoge Raad en uitgesproken op 7 april 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onjuiste interpretatie van bewijsregels.