ECLI:NL:HR:2015:907

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
8 april 2015
Zaaknummer
14/02690
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 359 SvArt. 425 lid 3 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onjuiste interpretatie bewijsregels

In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het middel klaagde dat het hof ten onrechte toepassing had gegeven aan de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro, die betrekking heeft op de bekennende verdachte en de verwijzing naar processtukken in de aantekening van het mondeling arrest.

De Hoge Raad overwoog dat de aantekening van het mondeling arrest moet voldoen aan de Regeling aantekening mondeling vonnis van 2 oktober 1996, waarin is bepaald dat verwezen mag worden naar processtukken voor de inhoud van bewijsmiddelen, zonder beperking tot bekennende verdachten. De opvatting van het middel dat dit alleen bij bekennende verdachten is toegestaan, vindt geen steun in de regeling, de wetsgeschiedenis of art. 359 Sv Pro.

Gelet op vaste rechtspraak en de wetsgeschiedenis, waaronder eerdere arresten, concludeerde de Hoge Raad dat het middel faalt. Op grond van art. 80a RO verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door een enkelvoudige kamer van de Hoge Raad en uitgesproken op 7 april 2015.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onjuiste interpretatie van bewijsregels.

Uitspraak

7 april 2015
Strafkamer
nr. 14/02690
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 22 april 2014, nummer 21/006111-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de tweede volzin van derde lid van art. 359 Sv Pro inzake de bekennende verdachte.
2.2.
Het bestreden arrest is gewezen door een enkelvoudige kamer van het Hof en mondeling gegeven ter terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2014. Dat mondeling arrest is aangetekend in het proces-verbaal van die terechtzitting. Dat proces-verbaal houdt in:
"De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van het procesdossier, waaronder:
A. een schriftelijk stuk, te weten een fotokopie van een proces-verbaal van aangifte van 29 november 2012, nr.: PL04ZC 2012103457-1, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant], BOA, domein generieke opsporing, regiopolitie IJsselland, team Zwolle-Centrum/Zuid, inhoudende de verklaring van [slachtoffer];
B. een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage op basis van ingewonnen informatie, Forensische Geneeskunde, GGD IJsselland, d.d. 19 februari 2013 opgemaakt door S.J.Th. van Kuijk, forensisch arts;
(...)
AANTEKENING MONDELING ARREST
(...)
d. inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) ten laste gelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan:
de inhoud van de hiervoor onder A en B genoemde stukken, alsmede de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, - inhoudende: "Op 22 november 2012 liep ik op het Stationsplein te Zwolle. Daar is een man tegen mij aangelopen. Ik heb die bewuste man bij de arm gepakt. Ik werd boos. Ik wilde hem wel slaan. Ik heb die man een duw gegeven, waardoor die man is gevallen." - leveren op de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de voorzitter bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen dat verdachte het hierna bewezenverklaarde heeft begaan;
e. bewezenverklaring:
hij op 22 november 2012 te Zwolle opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) met kracht een duw heeft gegeven ten gevolge waarvan [slachtoffer] is komen te vallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
2.3.
De aantekening van een mondeling arrest van de enkelvoudige kamer van een gerechtshof dient ingevolge art. 425, derde lid, Sv te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197). Art. 3 van Pro deze Regeling houdt onder d in dat de aantekening de navolgende gegevens dient te bevatten:
"inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) telastegelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt)."
2.4.
Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat in de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen slechts in het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro (bekennende verdachte) mag worden verwezen naar de processtukken.
2.5.
Die opvatting vindt geen steun in voormelde Regeling noch in art. 359 Sv Pro noch in de geschiedenis van de totstandkoming van de tweede volzin van het derde lid van die bepaling (vgl. 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5605, NJ 2010/7). Het middel faalt.
2.6.
In HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 is als een aan de wetsgeschiedenis van art. 80a RO ontleend voorbeeld van een klacht die geen behandeling in cassatie rechtvaardigt, genoemd de klacht "waarin de duidelijke strekking van de wet of vaste rechtspraak wordt miskend". Gelet hierop zal de Hoge Raad - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2015.