Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2014. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in ter onderbouwing van het cassatieberoep. De Advocaat-Generaal stelde schriftelijk voor het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft het beroep op ontvankelijkheid getoetst en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het beroep instelde klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis van deze overwegingen en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 7 april 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard door de Hoge Raad.