Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
10 april 2015.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een geschil tussen een man en een vrouw over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, met name over een leemte in de overeenkomst met betrekking tot de verkoop van de voormalige echtelijke woning.
De man heeft tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld, terwijl de vrouw niet is verschenen en verstek is verleend. De Procureur-Generaal heeft een standpunt ingenomen dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de man klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en compenseert de kosten van het geding zodanig dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan kans van slagen.