Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen
3.Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
4.Beslissing
14 april 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Zowel namens de verdachte als de benadeelde partij zijn middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van beide partijen niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is geen nadere motivering vereist omdat de middelen niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad besluit daarom het beroep te verwerpen. Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 14 april 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte en het middel van de benadeelde partij worden verworpen zonder nadere motivering.