De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, gepleegd in vereniging met anderen en door middel van braak. Het hof legde een gevangenisstraf op van acht maanden, waarvan drie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Gelet op de strafmaxima en de door het hof opgelegde straf en motivering, achtte de Hoge Raad het belang van de verdachte bij cassatie niet evident. De schriftuur bevatte geen nadere toelichting op het belang bij het cassatieberoep en het rechtens te respecteren belang bij vernietiging van het bestreden arrest.
De enkele stelling dat het hof bij de strafoplegging is uitgegaan van een zwaardere wetsbepaling dan die waarop de bewezenverklaring was gebaseerd, werd onvoldoende geacht om het belang aan te tonen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Hiermee blijft het hofarrest in stand.